Wie crypto aanhoudt en laat meedraaien in staking, of uitleent via lending, ziet vanzelf nieuwe munten binnenkomen. De vraag die dan opdoemt, is hoe die opbrengst in Nederland wordt belast. Het korte antwoord: bij passief aanhouden gaat de Belastingdienst uit van box 3, de belasting op uw vermogen. Het volledige antwoord kent meer nuance, want onder bepaalde omstandigheden komt box 1 in beeld: de belasting op inkomen uit werk en onderneming.
Uitgangspunt: box 3
De Belastingdienst is er helder over: “Crypto’s horen tot uw bezittingen in box 3.” Op de aangiftepagina staat het net zo concreet: cryptobezittingen zoals bitcoins vallen onder “bankrekeningen en andere bezittingen”. Voor een particulier betekent dat iets belangrijks. De ontvangst van staking- of lendingbeloningen leidt binnen box 3 in beginsel niet tot een afzonderlijke heffing op dat moment. Ontvangen staking- of lending-munten verhogen simpelweg het vermogen dat op de peildatum van 1 januari in box 3 wordt gemeten.
De heffing gaat bovendien niet over uw werkelijke opbrengst. Niet uw werkelijk ontvangen staking- of lending-bedrag wordt belast, maar een fictief rendement over de waarde van uw bezit (de formele term hiervoor is forfaitair rendement); hoe die heffing rekent, leest u in ons artikel Crypto in box 3. Crypto valt daarbij onder de categorie “overige bezittingen”. Voor die categorie hanteert de Belastingdienst een fictief rendement van 6,00 procent voor belastingjaar 2026 (5,88 procent in 2025 en 6,04 procent in 2024). Over het berekende box 3-inkomen geldt een tarief van 36 procent, zowel in 2025 als 2026. De beloning zelf blijft dus buiten een aparte inkomstenpost, zolang alles in box 3 valt.
Wel geldt een heffingsvrij vermogen. Voor 2026 is dat €59.357 voor een alleenstaande en €118.714 met fiscaal partner (€57.684 en €115.368 in 2025). Pas boven die grens, samen met uw overige box 3-vermogen, leidt crypto tot heffing. Het fictieve rendement voor overige bezittingen staat voor 2026 al vast; de percentages voor banktegoeden en schulden worden pas begin 2027 definitief. Daarnaast loopt er een bredere herziening van box 3 richting werkelijk rendement, die het stelsel de komende jaren verandert.
Waardering en peildatum
Voor box 3 telt één moment: de peildatum van 1 januari, 00.00 uur, van het jaar waarover u aangifte doet. Koersschommelingen gedurende het jaar doen voor deze heffing niet mee. U geeft de waarde van uw crypto aan zoals die op de peildatum was volgens de koers op het gebruikte omwisselplatform: de waarde in het economische verkeer. Munten die u gedurende het jaar via staking of lending ontving, tellen dus mee tegen hun waarde op de eerstvolgende 1 januari.
Wanneer het box 1 wordt
Box 3 is het uitgangspunt, geen garantie. De grens ligt bij normaal vermogensbeheer, oftewel gewoon beleggen zonder extra werk: blijft u daarbinnen, dan valt het in box 3. Zolang u passief crypto aanhoudt en dat via een platform laat staken of uitleent, blijft het doorgaans binnen dat normale beheer van vermogen. Verandert de aard van de activiteit, dan kan de opbrengst naar box 1 verschuiven.
De Belastingdienst formuleert dat scherp bij handel: u hoeft de opbrengst niet aan te geven, tenzij u “met extra arbeid, dus bovenop uw beleggingsactiviteiten” vaak extra inkomsten verdient. In dat geval geeft u die opbrengst wél op, als inkomsten uit overig werk of als winst uit onderneming. Bij minen trekt de fiscus eenzelfde lijn: de opbrengst hoeft u niet aan te geven, “dat wordt anders als uw opbrengst hoger is dan uw kosten”. Dan kan er sprake zijn van inkomen in box 1.
Juridisch hangt die box 1-route aan artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001, het “belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden”: inkomen uit activiteiten die verder gaan dan beleggen. De tegenhanger voor box 3 is artikel 5.2, “voordeel uit sparen en beleggen”. Wat normaal vermogensbeheer precies is, staat niet in de wettekst; die grens volgt uit jurisprudentie en hangt af van de feiten en omstandigheden, zoals de omvang van de arbeid en of er een objectieve voordeelsverwachting is.
De lijn van de Belastingdienst, en wat nog onduidelijk is
Hier past eerlijkheid over de grenzen van wat vaststaat. De Belastingdienst benoemt in haar publieke crypto-voorlichting expliciet minen en actief handelen met “extra arbeid”, maar staking en lending noemt ze niet bij naam. Een kennisgroepstandpunt (een gepubliceerd standpunt van de Belastingdienst over hoe een regel wordt toegepast) dat staking- of lending-beloningen specifiek kwalificeert, is er in de openbare bronnen niet.
Wat er wél ligt, is een verwant standpunt over forks (KG:202:2023:12, geactualiseerd op 12 september 2023). Munten die “gratis” uit een fork ontstaan, zijn volgens de kennisgroep meteen een box 3-bezitting, gewaardeerd tegen de koers op de peildatum, zonder aparte inkomstenheffing bij ontvangst. Dat ondersteunt de hoofdlijn: de beloning zelf wordt niet apart belast, maar telt mee als vermogen. Toch gaat dit standpunt over forks, niet over staking of lending. De toepassing op staking en lending berust dus op analogie en op de algemene toets van feiten en omstandigheden, niet op een uitspraak die staking bij naam behandelt.
Per saldo wijst passief staken of uitlenen richting box 3; actief en structureel opereren met arbeid die verder gaat dan normaal beheer, kan naar box 1 verschuiven. Waar de grens precies ligt, hangt af van uw eigen situatie.
Over dit artikel
Dit artikel is bedoeld als algemene informatie en is geen fiscaal, juridisch of beleggingsadvies. Aan de inhoud kunnen geen rechten worden ontleend. Wet- en regelgeving en jurisprudentie kunnen na publicatie wijzigen; de fiscale behandeling is afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden. Raadpleeg voor uw persoonlijke situatie een belastingadviseur of de Belastingdienst. Laatst bijgewerkt op 21 augustus 2026.
Callisto Capital is in Nederland geregistreerd als AIFMD-light-beheerder en staat niet onder doorlopend toezicht van de AFM.
